‘Beste voorbereiding op Omgevingswet is leren van experimenten’

image-1 De inwerkingtreding van de Omgevingswet is dan wel uitgesteld, maar de voorbereidingen gaan onverminderd door. Een belangrijke wijziging wordt de benadering van de fysieke leefomgeving. Deze wordt in de Omgevingswet integraal benaderd en niet alleen meer vanuit de ruimtelijke invalshoek. Vooral gemeentelijke organisaties krijgen hiermee te maken, omdat de bevoegdheid voor het vaststellen van de nieuwe omgevingsplannen bij hen ligt.

Hoe gaat deze integrale benadering in de praktijk werken? Is de wetgeving alleen sturend genoeg, of zijn er meer factoren die een rol hebben?

 

Rixt Bos (foto), studente Urban and Regional Planning aan de Universiteit van Amsterdam, heeft voor haar masteropleiding onderzoek gedaan naar de rol van de veranderende wetgeving op de integrale benadering van plannen voor de fysieke leefomgeving. Rixt heeft hiervoor gekeken naar de verdeling van verantwoordelijkheden bij een project in Bad Nieuweschans – het meest noordoostelijke dorp van Nederland behorend tot de gemeente Oldambt - een pilot onder de vlag van de Crisis- en herstelwet.
Wij zijn benieuwd naar haar bevindingen vanuit het onderzoek en in haar samenwerking met onze collega’s en hebben haar hierover een paar vragen gesteld.
 
Met de komst van Omgevingswet is een integrale benadering van ruimtelijke vraagstukken nodig. Wat heeft jou bewogen om hierin te duiken en de rol van de wetgeving te onderzoeken?
Rixt: ,,Eigenlijk merkte ik tijdens mijn vorige stage en tijdens het schrijven van papers in mijn master dat in het ruimtelijk domein eigenlijk allerlei facetten met elkaar samenhangen en elkaar beïnvloeden. Maar organisaties werken toch vooral sectoraal, met aparte afdelingen voor onder meer verkeer, milieu en wonen. Is dit wel logisch?

Dit fenomeen vond en vind ik nog steeds erg interessant. Zo kwam ik op het onderwerp van integraal werken. De koppeling aan de Omgevingswet leek mij interessant omdat het een belangrijke actuele ontwikkeling is in het ruimtelijke domein. Het leek bovendien logisch, omdat één van de kerndoelen van de nieuwe wet is om tot een integrale benadering van de fysieke leefomgeving te komen. Het is  nog heel onduidelijk hoe dit op lokaal niveau gaat uitwerken. Dat mechanisme leek me interessant en gekoppeld aan theorie heeft het onderwerp zich eigenlijk steeds meer gespecificeerd en gevormd.’’

Je geeft aan dat de uitwerking van de Omgevingswet op lokaal niveau nog heel onduidelijk is. In de conclusies van je literatuuronderzoek noem je een model van het mechanisme van wetgeving, formele en informele instituties, verantwoordelijkheden en lokaal handelen. Via een casestudie heb jij dit model getest in de gemeente Oldambt. Wat zijn je belangrijkste bevindingen?
,,Wanneer je kijkt naar lokaal handelen blijken rollen en verantwoordelijkheden een grote rol te spelen. Verder spelen informele instituties zoals waarden en cultuur een rol, maar ook formele instituties zoals lokale instrumenten. Ook bij Oldambt kwamen formele en informele instituties naar voren. Zo maken ze een omgevingsplan in een multidisciplinaire projectgroep, waardoor de betrokkenheid van disciplines anders is dan bij een normaal bestemmingsplan.

Informeel is het grootste verschil dat de projectgroepleden naast het geven van disciplinaire, of specifieke vakinhoudelijke input, óók verantwoordelijkheid voelen om mee te denken over de gevolgen van de keuzes van andere disciplines en meer meedenken met het plan als geheel. Er lijkt dus formeel en informeel een verandering te zijn bij het uitvoeren van deze pilot.

Deze informele en formele instituties beïnvloeden elkaar ook, waardoor het een ingewikkeld en moeilijk te voorspellen mechanisme is. Wél is duidelijk dat aandacht voor beide onderdelen belangrijk is wanneer je iets wilt veranderen in lokaal handelen. Alleen het veranderen van wetgeving werkt niet, je moet ook de cultuur mee krijgen. Door de wisselwerking lijkt het veranderen van wetgeving hier wel aan bij te kunnen dragen. Oldambt staat wel nog aan het begin van het proces, dus wanneer ze verder zijn zal echt blijken of het proces van verantwoordelijkheden en rollen echt anders is gegaan dan bij een 'normaal' bestemmingsplan.’’
 
Oldambt heeft dus nog een slag te maken en deze gemeente zal daar niet de in enige zijn. Heeft het resultaat van je onderzoek je verbaasd?
,,In Oldambt valt nog wel een slag te maken. Maar, het feit dat ze er al aan het experimenteren zijn -  en daarmee leren - draagt al bij aan de verandering. Dát heeft mij niet echt verbaasd. Het lijkt een trend die in veel Omgevingswet gerelateerde pilots en voorbereidingen te zien is. En het lijkt dus ook te passen in het mechanisme uit de literatuur: cultuur en formele structuren zijn beide belangrijk en verandering tijd kost. Ik heb wel bewust gezocht naar een pilot waar werd geëxperimenteerd om te leren en niet naar een proef waarbij de Crisis- en herstelwet wordt gebruikt om van één punt te kunnen afwijken.’’
 
‘Leren door te proberen’ als het gaat om de Omgevingswet. Zijn er nog andere aanbevelingen die je gemeenten wilt meegeven vanuit je inmiddels opgebouwde kennis over dit onderwerp?
,,Ik denk dat het belangrijk is om lokaal voordelen te zien en te communiceren over integrale benadering van de fysieke ruimte en over de mogelijkheden en kansen die dit kan bieden. Door het toe te passen op een plaatselijke casus en de ervaringen en lessen te communiceren, kan zo’n pilot bijdragen aan een verandering van houding ten opzichte van de Omgevingswet en meer integraal werken.

Daarnaast is het denk ik belangrijk om het verkrijgen van competenties en ondersteunende structuren te faciliteren. Uit mijn onderzoek is naar voren gekomen, dat een verandering veel tijd kost. Dan moet die tijd wel worden vrijgemaakt. Ook direct contact lijkt belangrijk voor integraal werken. Verder blijken leiderschap en het formuleren van argumenten en motivatie belangrijke competenties.

Tot slot kwam naar voren dat er veel van elkaar kan worden geleerd. Van andere afdelingen of domeinen binnen een gemeente en hoe zij omgegaan met een wetswijziging en hoe zij werken aan een integrale benadering. Maar het gaat ook om leren van andere gemeenten. Hoe is een andere pilot aangepakt? Waar is men daar tegenaan gelopen? Wat zijn daar de belangrijkste lessen? In Bad Nieuweschans is geconcludeerd dat het zinvol is om ook eens met andere gemeenten, buiten Groningen, ervaringen uit te wisselen.
Dit zijn denk ik de drie belangrijkste aanbevelingen die ik kan doen naar aanleiding van mijn ervaringen tijdens mijn onderzoek.’’

Deel deze pagina